(+31)040 - 304 60 58

Nieuws

Damon Dinsdag 26 september

Toen de Romeinse filosoof en politicus Boëthius in het jaar 523 ter dood werd veroordeeld, besloot hij de hem resterende tijd te besteden aan het schrijven van Troost. In dit nog altijd urgente werk krijgt de verteller in zijn cel bezoek van Filosofie, die met hem discussieert over wat er in het leven echt toe doet.
In de Damon Dinsdag van vandaag een fragment uit Boëthius, Troost in filosofie vertaling van Piet Gerbrandy. 

"Ik zat nog in stilte aan mijn verzen te sleutelen en stond op het punt mijn tranentrekker op te schrijven, toen ik ineens zag dat aan het hoofdeinde van mijn bed een vrouw was verschenen. Ze had een buitengewoon eerbiedwaardig gezicht, vurige ogen die scherper leken te zien dan voor mensen gewoonlijk is weggelegd, en een gezonde huidskleur die van onuitputtelijke levenskracht getuigde, hoewel ze een dermate hoge leeftijd had dat ze wel uit een totaal andere tijd moest stammen. Hoe lang ze was liet zich niet eenduidig vaststellen, want nu eens hield ze de afmetingen aan die voor mensen gebruikelijk zijn, dan weer scheen ze met de top van haar kruin tegen de hemel aan te stoten, en wanneer ze zich nog verder uitrekte drong haar hoofd zelfs door tot in de hemel, waarbij het zich onttrok aan de blik van mensen die het zouden willen zien. Haar kleren waren vervaardigd van uiterst dunne draden die dankzij een verfijnde techniek niet konden breken; later zou ze me vertellen dat ze die zelf geweven had. Het dessin was echter, net als bij vooroudermaskers die lang aan rook hebben blootgestaan, min of meer onherkenbaar geworden door een soort waas die er in de loop der jaren op was komen te liggen en die nooit verwijderd was. Op de zoom onderaan was de Griekse letter pi ingeweven, bovenaan viel een thêta te lezen, en tussen die letters waren, als een soort ladder, enkele treden uitgebeeld, waardoor je stap voor stap steeds een niveau hoger zou kunnen komen. Het gewaad leek echter met geweld aan flarden gescheurd door figuren die er kennelijk allemaal een lapje van hadden willen inpikken. In haar rechterhand hield ze een paar boekrollen vast, in haar linker een scepter. 

Toen ze de Muzen van de dichtkunst aan mijn bed zag staan, die bezig waren mijn tranen van woorden te voorzien, schrok ze even, en terwijl haar ogen grimmig opvlamden, zei ze: ‘Wie heeft die podiumhoertjes toestemming gegeven bij deze patiënt op bezoek te komen, hoewel ze zijn pijn niet alleen op geen enkele manier verzachten maar zelfs voeden met smakelijk gif? Hun schuld is het dat het rijke graan van de rede wordt verstikt door de dorre distels van emoties en dat het denken verslaafd raakt aan ziekzijn in plaats van te genezen. En als jullie verleidingstechniek nu een leek op het slechte pad zou brengen, wat nu eenmaal jullie dagelijks werk is, zou ik dat nog niet zo erg vinden: het zou immers op geen enkele manier mijn inspanningen dwarsbomen. Maar deze man, die is grootgebracht op een dieet van Eleatische en Academische wetenschap! Vooruit, weg jullie, stelletje Sirenen die plezier verschaffen tot de dood erop volgt! Geef míjn Muzen de gelegenheid hem te verzorgen en te genezen.’

Op deze felle verwijten sloeg het koortje gekwetst de ogen ter aarde en met een blos die schaamte verried stapte het verdrietig over de drempel naar buiten. Mijn gezichtsvermogen was echter door een waas van overvloedige tranen verduisterd, zodat ik niet kon onderscheiden wie toch die ontzagwekkende vrouw was. Daarom verstarde ik helemaal en wachtte ik in stilte, met neergeslagen blik, af wat ze vervolgens zou doen. Ze kwam dichterbij, ging op de rand van mijn brits zitten en terwijl ze naar mijn gezicht keek, dat diep verdrietig naar de grond gericht was, zong ze dit treurige lied over mijn geestelijke verwarring."