(+31)040 - 304 60 58

Nieuws

Damon Dinsdag 8 augustus

In  Het bestaan van de goden laat Cicero een stoïcijn, een epicurist en een academicus filosoferen over de aard en het bestaan van goden. In dit boek komen Griekse filosofie en Romeinse literatuur prachtig samen. Vertaald door Vincent Hunink, ingeleid door Rogier van der Wal. In de maand augustus te koop met €5 korting.

Uit het betoog van de Epicurist Vellius:

“Alcmaeon van Croton gaf onsterfelijkheid aan de zon, de maan en andere hemellichamen, en verder nog aan de ziel. Hij besefte echter niet dat hij daarmee aan sterfelijke zaken onsterfelijkheid verleende.
Voor wat betreft Pythagoras, die meende dat heel de natuur is doortrokken en doordrongen van een ziel, waarvan onze zielen stukjes zijn – hij heeft niet ingezien dat door die afsplitsing van mensenzielen de godheid aan flarden en stukken wordt gescheurd, en dat als zielen zich ongelukkig voelen, wat bij de meeste wel eens gebeurt, ook een deel van god zich ongelukkig moet voelen, wat onmogelijk is. 28 Waarom zou de ziel van de mens trouwens niet alwetend zijn, als die god is? En als die god enkel ziel is, op welke manier kan hij dan in de wereld verwikkeld en verbreid raken?
En dan is er de theorie van Xenophanes. Deze kent geest toe aan het universum, en omdat het oneindig is beschouwt hij het als god. Voor wat betreft die geest kan men hem net zo bekritiseren als de anderen, maar veel meer nog voor wat betreft het oneindige. Dat kan immers geen bewustzijn hebben of een verbinding met iets anders.
Parmenides heeft op zijn beurt het verzinsel bedacht van iets wat op een krans lijkt – hij noemt het een stephanè –, een aaneengesloten kring van lichten rondom de hemel. Hiervoor gebruikt hij de naam god. Maar geen zinnig mens kan daarin een goddelijk beeld of bewustzijn zien. Hij heeft ook veel andere rare ideeën. Zo vergoddelijkt hij bijvoorbeeld oorlog, onenigheid, hebzucht en dat soort zaken, dingen dus die door ziekte, slaap, vergetelheid of ouderdom kunnen verdwijnen. Datzelfde geldt voor de sterren, maar omdat ik dat al bij een andere wijsgeer heb bekritiseerd, ga ik er hier niet verder op in.
29 Empedocles zit er op tal van punten naast, maar glijdt wel heel lelijk uit met zijn ideeën over de goden. Hij beweert dat de vier elementen, waaruit naar zijn opvatting alle dingen bestaan, goddelijk zijn. Toch is het zonneklaar dat die ontstaan en vergaan, en verstoken zijn van alle bewustzijn.
Ook Protagoras lijkt geen flauw benul te hebben van het wezen van de goden. Hij verklaart dat hij over de goden helemaal niets duidelijks kan zeggen – of ze bestaan of niet bestaan, en hoe ze nu precies zijn.
Moeten we Democritus dan geloven? Die rekent de ene keer de rondzwervende “beelden” onder de goden, de andere keer de substantie die de “beelden” afgeeft en uitzendt, en dan weer ons eigen waarnemings- en kenvermogen. Dat is toch helemaal verkeerd? En diezelfde man zegt dat niets voortdurend in dezelfde toestand blijft, en dus dat er niets eeuwigdurends is. Dat is toch een algehele verwerping van de goden? Zo blijft er toch zelfs geen notie van het goddelijke meer over?”