(+31)040 - 304 60 58

Nieuws

Damon Dinsdag 25 juli

Deze week in de Damon Dinsdag een fragment uit Afsluitend onwetenschappelijk naschrift, het filosofische hoofdwerk van Søren Kierkegaard. De hele maand juli geldt de actieprijs: €59,90 voor €49,90!

“Tegen mijn gewoonte was ik de hof in gegaan die de hof der doden wordt genoemd, waar het afscheid de bezoeker weer dubbel moeilijk valt, aangezien het zinloos is te zeggen ‘nog eenmaal’, omdat de laatste maal al voorbij is en omdat er geen reden is om op te houden met afscheidnemen wanneer begonnen wordt nadat de laatste maal voorbij is.[i] De meesten waren al naar huis gegaan. Alleen een enkeling verdween tussen de bomen. Omdat hij niet uit was op een ontmoeting, ging hij die uit de weg. Hij zocht geen doden en geen levenden. En steeds heerst in deze tuin tussen de bezoekers de schone overeenkomst dat men er niet naartoe gaat om te zien en gezien te worden. De ene bezoeker mijdt de andere. Je hebt ook geen gezelschap nodig en al helemaal geen praatlustige vriend, daar waar alles welsprekendheid is, waar de dode je het korte woord toeroept dat op zijn grafsteen is gezet, niet als een dominee die breedsprakig over dat woord preekt, maar als een zwijgzaam man, die enkel dit woord zegt maar met een hartstocht als wilde de dode het graf doen openbarsten. Of is het soms niet merkwaardig om op je graf te zetten ‘Wij zien elkaar weer’, en dan in het graf te blijven? En toch, wat een innerlijkheid in dat woord, juist door de tegenspraak! Want dat de man die morgen terugkomt ‘tot ziens’ zegt, dat heeft niets schokkends.[ii] Alles tegen je te hebben, geen enkele, geen directe uitdrukking voor je innerlijkheid te hebben en toch te staan voor wat je zegt, dat is de ware innerlijkheid. De innerlijkheid daarentegen is net zo goed onwaar wanneer de uitdrukking in het uiterlijke, in gelaatsuitdrukking en gebaar, in woorden en betuigingen meteen bij de hand is. Niet omdat de uitdrukking zelf onwaarachtig zou zijn, maar omdat de onwaarheid is dat de innerlijkheid maar iets van het moment zou zijn. De dode blijft volkomen stil terwijl de tijd loopt. Op het graf van de beroemde krijger ligt zijn zwaard en kwalijke handen hebben de omheining vernield, maar de dode is niet opgestaan, heeft niet het zwaard gegrepen om zichzelf en zijn rustplaats te verdedigen.[iii] Hij gesticuleert niet, hij legt geen plechtige verklaringen af, hij springt niet op in een ogenblik van innerlijkheid, maar zwijgend als het graf en stil als een dode bewaart hij zijn innerlijkheid en staat hij bij zijn woord. Geprezen zij de levende die zich uiterlijk als een gestorvene tot zijn innerlijkheid verhoudt en haar juist daardoor bewaart, niet als de opwinding die een ogenblik duurt, niet als de bedwelming door een vrouw, maar als het eeuwige dat door de dood heen gewonnen is. Zo iemand is een man. Want dat een vrouw in momentane innerlijkheid overstroomt, is niet van schoonheid ontbloot. En dat ze die innerlijkheid snel weer vergeet, ook dat heeft zijn charme. Het een beantwoordt namelijk aan het ander en beide beantwoorden aan het vrouwelijke en aan wat men doordeweeks onder innerlijkheid verstaat.”



[i] Met de hof der doden (Deens: de Dødes Have) wordt het Assistens kerkhof [letterlijk: hulpkerkhof] in Kopenhagen bedoeld. Het kerkhof, gelegen in het stadsdeel Nørrebro, werd aangelegd in 1760 om de overvolle kerkhoven binnen de wallen te ontlasten. Onder andere Søren Kierkegaard zelf en ook zijn geliefde Regine Olsen liggen er begraven.

[ii] Zie hierboven noot 426.

[iii] Hier wordt verwezen naar rijksgraaf en luitenant-generaal G.W.C. Schmettau (1752-1823), begraven in het gedeelte van de Sint-Petrus parochie op Assistens kerkhof. Het graf was oorspronkelijk omgeven door een traliewerk dat intussen verdwenen is. Het monument werd getekend door de Deense architect G.F. Hetsch. Het graf, gelegen tegen de Noordwestelijke muur van het kerkhof, bevindt zich in een niche waarin men een kant van een sarcofaag kan waarnemen. Daarboven bevinden zich een zwaard en een Griekse ridderhelm, evenals een langer epigram. Zie dagboeknotitie SKS 18, 220; JJ:249.