(+31)040 - 304 60 58

Nieuws

Damon Dinsdag 5 juni

Aan het begin van de Pride maand hebben we een fragment uit het Symposium van Plato geselecteerd, waarin een verklaring wordt gegeven voor het bestaan van verschillende geslachten en waarom de mens op zoek is naar zijn wederhelft. De vertaling komt uit De mythen van Plato.

"Het eerste wat jullie moeten weten gaat over de toestand van de mens en wat daarmee gebeurd is. Vroeger zat de mens namelijk niet hetzelfde in elkaar als nu, maar heel anders. Ten eerste waren er drie geslachten en niet maar twee, mannelijk en vrouwelijk, zoals nu het geval is. Er was ook nog een derde geslacht dat een deel van beide had. De naam daarvan is nog over, terwijl de soort zelf verdwenen is. Die ene soort van toen was de androgyn, zowel in vorm als in naam samengesteld uit de beide anderen, de man en de vrouw.[1] Nu bestaat die niet meer, behalve als een scheldwoord. Ten tweede: het lichaam van de mens was helemaal rond, waarbij de rug en zijden een cirkel vormden. Hij had vier armen en evenveel benen, en twee perfect gelijke gezichten <190a> op een ronde nek. De twee gezichten zaten aan één hoofd en keken in tegengestelde richting. Ze hadden vier oren, twee geslachtsdelen en verder van alles zoveel als je op basis hiervan zelf kunt bedenken. Hij liep vrijelijk rond, rechtop zoals wij nu. Maar als hij het op een rennen zette, duikelde hij zoals een acrobaat, rondtollend met uitgestrekte benen. En omdat ze toen dus met acht ledematen konden afzetten, gingen ze door hun ronde vorm razendsnel. Dat er drie geslachten waren en dat ze er zo uitzagen, kwam doordat het mannelijk geslacht oorspronkelijk afstamde van de zon en het vrouwelijke van de aarde. Het geslacht dat deelhad aan allebei stamde af van de maan, omdat de maan ook mannelijk en vrouwelijk is. Hun cirkelvormige uiterlijk en hun manier van voortbewegen hadden deze mensen te danken aan hun ouders, de hemellichamen.

De oermensen konden zo beschikken over een geweldige kracht en zelfvertrouwen, en ze hadden het zo hoog in de bol dat ze het opnamen tegen de goden. Wat Homeros vertelt over Ephialtes en Otos, zeggen ze ook over de mensen van vroeger: ze probeerden de hemel te bestijgen om de goden aan te vallen. Zeus en de andere goden overlegden over de vraag wat ze met hen aan moesten. Ze wisten geen raad: ze konden hen eigenlijk niet doden en het hele geslacht met de bliksem vernietigen, zoals ze met de giganten hadden gedaan. Dan zouden de verering en de offers die ze kregen van de mensen ook verdwijnen. Maar ze konden hun teugelloze gedrag ook niet tolereren. Het kostte Zeus de nodige moeite, maar hij kwam op een idee: ‘Ik denk dat ik een plan heb, dat ervoor zorgt dat de mensen kunnen blijven bestaan maar ook zwakker worden, waardoor ze ophouden met hun bandeloosheid. Ik stel voor om hen nu meteen stuk voor stuk in tweeën te snijden. De mensen zullen dan zwakker zijn en tegelijkertijd nuttiger voor ons, omdat ze dan met meer zijn. Zij zullen ook rechtop lopen, maar dan op twee benen. Als ze er dan voor kiezen door te gaan met hun teugelloze gedrag en zich niet gedeisd willen houden, dan zal ik ze nog een keer doorsnijden, zodat ze zich hinkelend op één been moeten voortbewegen.’ Na die woorden sneed hij de mensen in tweeën, zoals ze lijsterbessen doorsnijden om ze in te maken, of zoals ze met een haar eieren doorsnijden. Bij iedere mens die hij doorsneed, vroeg hij Apollo diens gezicht en de helft van zijn nek een slag te draaien, naar de snede toe. Zo zou de mens, met het zicht op zijn eigen snijwond, zich beter gedragen. Hij droeg Apollo ook op de rest van de wonden te helen. Dus Apollo draaide telkens hun gezicht om en trok het vel van alle kanten naar wat we nu de buik noemen, zoals een beurs die met een touw wordt dichtgetrokken. Hij bond de huid midden op de buik samen en liet daar een kleine opening, die we de navel noemen. De overige kreukels <191a> maakte hij voor het grootste deel glad en hij zette de borst in elkaar met zo’n instrument dat schoenmakers gebruiken om de kreukels van het leer glad te strijken op de leest. Hij liet er op de buik een paar zitten, namelijk rond de navel, als een herinnering aan onze straf van toen.

Maar goed: toen ons oorspronkelijke wezen in tweeën was gesneden, bleef iedere helft uit verlangen naar de andere steeds daarmee samenkomen. Ze sloegen hun armen om elkaar heen en omhelsden elkaar omdat ze zo graag weer samen wilden groeien. Zo kwamen ze langzamerhand om door honger en algehele lethargie, want gescheiden van elkaar wilden ze niets doen. En als een van de helften stierf, ging de overgebleven helft op zoek naar een ander deel dat was overgebleven en omhelsde die, of het nu de helft betrof van iemand die ooit een hele vrouw was (wat wij nu dus een vrouw noemen) of een hele man was.[2] En zo kwijnden ze weg.”


[1] Het Griekse woord voor man is anêr (genitivus andros), voor vrouw gynê.

[2] Aristophanes laat hier het derde geslacht, dat van de androgyn, achterwege.