De fascinatie voor charismatische personen, de roep om een sterke leider, doet zich gelden op zo diverse terreinen als politiek, bedrijfsleven, religie en spritualiteit. Ook nu, in Nederland. Vandaar dit themanummer over charisma onder redactie van Petran Kockelkoren, Heleen Pott en Jacob Bouwman.
Dick Pels opent met een essay over charisma in de Nederlandse politiek na het fenomeen-Fortuyn. Persoonlijk charisma, "uitstraling" en personality hebben in ons mediatijdperk, in onze "dramademocratie", een nieuwe relevantie gekregen. Maar is hier sprake van "uitstraling" of "instraling"?
René ten Bos gaat in op charisma in het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven is het terrein waar theorieën over leiderschap allang een grote rol speelden toen de Nederlandse politieke polder nog geen charismatische leiders kon gebruiken. Hij vergelijkt Amerikaanse en Europese opvattingen over leiderschap.
Bij Mirjam de Baar is het charismabegrip terug in zijn oorspronkelijke context, het religieuze domein. Zij keert zich ook expliciet tegen de stelling van René ten Bos dat charisma een masculien begrip is. Voor het levensgebied religie is deze stelling niet houdbaar, zo betoogt zij.
Deze drie grote essays worden afgewisseld met korte essays van Petran Kockelkoren, Marc De Kesel en Henk Tieleman.
Petran Kockelkoren analyseert charisma met behulp van de opvattingen over menselijke excentriciteit van Helmuth Plessner, Marc De Kesel legt charisma op de sofa bij Lacan en Henk Tieleman komt tot de conclusie dat de werkelijke invloed van een charismatische leider bescheiden is in een bureaucratie.